Alles is gereed in het Vaderhuis

Schriflezing: 2 Thessalonicenzen 2

Deze dienst is bijzonder door meerdere redenen. Wij hebben de doop van twee kinderen mogen zien. Maar het is ook adventstijd. Een bijzondere paar weken in het kerkelijk jaar, waarin wij ons bezinnen over wat dat woord nou eigenlijk betekend: Advent is – de komst van Jezus Christus. Waar komt Hij vandaan? Natuurlijk, vanuit de Hemel, in Zijn volle glorie. Maar: waarom is Hij er eigenlijk nog niet? Wat houdt Hem tegen? Waarom blijft hij nog verwijlen in het Vaderhuis?

Hij zegt zelf in Johannes 14: 1-3 Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij. 2. In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken. 3. En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. Dus de reden waarom Jezus nog verwijlt: zijn wij… Hij bereidt ons een plek voor in het Vaderhuis.

Als wij aan het woord “Vaderhuis” denken, gaan onze gedachten automatisch uit naar het feit dat wij dan Zijn kinderen moeten zijn. Toch? Nou, dat is wel heel kort door de bocht gezegd, en hier in Nederland heeft zich al een menige kerkscheuring afgespeeld rondom de gedachte „wie is nou echt een kind van God?”. Ook vandaag de dag nog.

De vrijzinnige of liberale theologie zegt: Alle mensen! God is toch de schepper van ons allemaal, dus is Hij onze Vader! – in zekere zin is het te begrijpen dat wij zo over kindschap te praten… alle mensen zijn Gods Schepselen… maar de manier waarop de Bijbel spreekt over Gods kind zijn, en Hem als Vader kennen is niet onze Geschapenheid, maar de inwoning van de Heilige Geest, door wie wij zeggen: Abba Vader.

En daarom zegt de behoudende theologie: Nee, God heeft maar één enkel Zoon – Jezus Christus… wij, mensen worden alleen als Zijn kinderen „aangenomen” „geadopteerd”.

Misschien kan die gelijkenis die wij tijdens de Schriftlezing gehoord hebben ons wat inzicht geven. Wij hebben het verhaal van de verloren Zoon gehoord. Een verhaal wat Jezus verteld samen met een reeks andere gelijkenissen die daarover gaan dat God datgene zoekt wat verloren is…En dan vertelt Hij het verhaal van de vader die twee zonen heeft, waarvan de jongste zijn deel van de erfenis eist van zijn vader. Voor een luisteraar van Jezus in Zijn tijd zou het eenduidig zijn geweest hoe ongehoord opstandig en respectloos de zoon zich hier gedraagt… Hij vraagt Zijn erfdeel… Dus in feite zegt de zoon: Vader, ik wou dat je dood was! Ik wil nu wat mij toekomt! Ik wil jou niet! – En de vader doet het… want… Hij houdt wel zielsveel van zijn zoon, maar hij weet dat hij geen liefde van hem kan afdwingen. Dus vanaf het moment dat de zoon zijn deel krijgt, is het alsof de vader voor hem dood is. En voor de vader ook… het is alsof hij zijn zoon voorgoed kwijt was geraakt…dat zegt hij ook later: Mijn Zoon was dood.

Dit verhaal loopt parallel tot wat met de mens, met alle mensen is gebeurd bij de zondeval. God, die ons mensen in goedheid en heiligheid heeft geschapen, om in volle gemeenschap met Hem te leven, en om Hem lief te hebben…heeft ons mensen ook de vrije wil gegeven, een gift wat het eerste mensenpaar misbruikt heeft om te zeggen: wij hebben God niet nodig…wij kunnen het zelf wel! – en wat was het gevolg daarvan? Zonde… schaamte… lijden… pijn… en uiteindelijk… de dood. Dat doet de zoon ook hier in het verhaal…hij leeft een losbandig leven, en belandt naast de troggen van de varkens.

Geliefden… dit is het vooruitzicht van ons allemaal…als wij ons door niets anders dan onze eigen wil, onze eigen dromen, onze eigen verlangens, hebzucht, vermaak laten leiden. Beste doopouders, ik kan jullie bewijzen, dat wat wij zo moeilijk geloven over kleine baby’s… dat zij zondig zijn. Niet omdat zij zonde hebben kunnen doen…want kijk nou naar ze, zo lief en klein, maar waar hun leven, hun wereld nu om draait is: geef mij! Ik wil! Ik heb nodig! Het maakt mij niet uit hoe…! – je vindt nergens op de wereld een meer hulpeloos, maar tegelijk ook een meer zelfzuchtig wezen als een kleine baby. Dit is onze natuur… dat wij geneigd zijn alleen onszelf en niemand anders lief te hebben – terwijl dat wel onze bestemming is op deze aarde.

Maar dan komt de omkeer. Het is zo wonderlijk beschreven hier: de zoon kijkt naar zichzelf… hij „kwam tot zichzelf”… en zag zijn eigen ellende. En hij zegt: Ik zal naar hem toe gaan, en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben het niet waard om uw zoon genoemd te worden. – En dit is de reden waarom wij mensen niet zomaar, vanuit onszelf kinderen van God genoemd mogen worden.  Hij zag in: ik ben gehandeld alleen uit liefde voor mijzelf, en tegen de hemel en mijn naaste…heb ik gezondigd.

Maar stel nou… wat er was gebeurd als de zoon niet of nog niet tot deze inkeer was gekomen. Dat is wat er met zo veel mensen nu aan de hand is, die zich doof houden voor het evangelie… ze zijn verhard óf door het vermaak in de wereld… óf door hun eigen wrok… en zij blijven maar daar: in de wereld, of naast de troggen van de varkens. – en over die mensen is het waar wat de vader zegt: Mijn zoon was dood…

Maar de jongen gaat op pad. En nog voordat hij iets kan zeggen, nog vóór zijn schuldbelijdenis komt de omhelzing en de kus van zijn vader. En dan breekt hij… hij zegt: ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben het niet waard Uw zoon genoemd te worden. En toch roept zijn vader het uit: Laten wij feest vieren! Juicht! Want deze, mijn zoon was dood en hij is weer levend geworden! Hij was verloren en werd gevonden.

De zoon stelde zich een toornige Vader voor, die hem zou straffen. Hij zou misschien gedacht hebben: mijn vader zal mij nooit vergeven, want ik heb de helft van zijn bezittingen verspild! Ik kan dat toch niet terugbetalen! En al wordt de reden van Gods genade in deze gelijkenis niet uitgewerkt, kunnen wij dat wel duidelijk aanwijzen. Er is namelijk iemand geweest die de rekening betaald heeft – Jezus, aan het kruis. Dat heeft Hij reeds gedaan. En wat Hij nu, op dit moment aan de rechterhand van de Vader doet is om voor ons dag en nacht te pleiten voor ons… Hij is op dit moment een plek voor ons aan het klaarmaken in het Vaderhuis.

Want zo werkt het met zoonschap, en dochterschap van God. Het is niet iets wat wij vanuit onszelf hebben… er moet een tijd komen in ons leven waarin wij ons dat beseffen: ik verdien het niet Gods kind genoemd te worden… en als je door dit besef laat leiden op de weg van bekering naar de voeten van de Vader, om Hem om erbarmen te smeken… dan zul je eindigen in Zijn armen, overweldigd door Zijn genade en liefde. En dan besef je: dit was altijd al de grootste wens, dit was altijd al de wil van de Vader, dat ik als Zijn verloren kind bij Hem terugkom.

Maar daar is ook die tweede zoon… je zou zelfs moeten zeggen, dat het vóóral gaat om de tweede zoon. Jezus vertelt dit verhaal als antwoordt op de morrende vragen van Farizeeërs en Schriftgeleerden, die hun eigen recht opeisen… net zo als de oudste zoon in de gelijkenis: “Vader, het is toch niet eerlijk dat u deze zoon van u zo omringt met liefde en giften en goederen…” En hij krijgt van zijn vader een vermanend antwoord: “Kind, jij bent altijd bij mij, en al het mijne is van jou” – precies het verwijt wat Jezus aan de Farizeeën zo vaak heeft bekend gemaakt: U doet het wel…maar Uw hart is vol met zelfrechtigheid!

En hetzelfde is natuurlijk niet alleen bij het volk Israël het geval geweest, maar hetzelfde gevaar bestaat ook bij de Christelijke kerk. Horen bij de kerk kan ook leiden tot hoogmoed. Wanneer? Nou, bijvoorbeeld dan, wanneer je je kerkgang, je deelname aan gespreksgroepen, je financiële bijdrage, je collecteren, het aanvaarden van een ambt, het leiden van een godsdienstig leven beschouwt als: zo, ik heb mijn part gedaan! God, waar is mijn beloning? Maar stel dat je iemand die vanuit de diepste putten van de zonde komt, en ineens hoort zeggen: ik heb God lief, omdat Hij mij eerst heeft liefgehad… – als je maar een klein beetje de gedachte hebt…”ja maar… ik verdien die liefde van God toch eigenlijk meer dan deze”… dan is dat ook een teken van een onveranderd, menselijk hart.

Maar God redt mensen vanuit de wereld en plaatst ze in de kerk, en God redt mensen vanuit de kerk en plaatst ze met een veranderd hart, ziel en verstand terug in de kerk. (of Hij stuurt ze de wereld in om hun heil te verkondigen) … maar voor beiden is de enige manier tot zaligheid: het horen van het heerlijk evangelie, en geloof in de dood en opstanding van Zijn geliefde zoon.

Of je nu in de wereld zit, of in de kerk – hoor het evangelie: jij hebt een vaderhuis! Jezus heeft het voor jou klaargemaakt…Hij is nog steeds bezig om dat te doen! Dus de genadetijd duurt nog. AMEN

Zwolle, 13 december 2020. Deze preek kan hier in PDF worden gedownload.