VOLHARDEND BIDDEN OM DE HEILIGE GEEST

Hand 1:4-14

DE STAARSMID – Er bestaat een heel bijzonder Hongaars woord: „hályogkovács”, letterlijk: een „staarsmid”. Het woord komt uit een verhaal van de Hongaarse schrijver Mikszáth Kálmán. Het gaat over een gewone smid, die naast zijn dagelijks werk een bijzondere gave heeft: hij kan met een eenvoudig mes een staar van iemands oog verwijderen. Op een dag wordt hij uitgenodigd door een professor in de geneeskunde. Die wil met eigen ogen zien hoe deze eenvoudige smid zo’n ingewikkelde operatie kan uitvoeren. Wanneer de professor ziet hoe de smid met zijn mes richting het oog van de patiënt beweegt, schrikt hij enorm. Hij roept: “Stop! Weet u wel wat u doet? Begrijpt u hoe gevaarlijk dit is? Als u maar een fractie verkeerd snijdt, kunt u iemand voorgoed blind maken!” De smid antwoordt eenvoudig: “Nee, dat wist ik niet. Ik doe het altijd zo.” Daarna begint de professor uitvoerig uit te leggen hoe wonderlijk en ingewikkeld het menselijk oog in elkaar zit. Wanneer de uitleg klaar is, zegt de professor: “Goed, laat nu maar eens zien hoe u een staar verwijdert.” Maar nu begint de hand van de smid te trillen. Hij durft niet meer. Uiteindelijk legt hij het mes neer en probeert het nooit meer. Dat is een „staarsmid”: iemand die een bijna onmogelijke taak uitvoert zonder werkelijk te beseffen hoe groot en ingewikkeld die taak is. Maar zodra hij het gewicht ervan inziet, durft hij niet meer.

Aan dat verhaal moet ik denken wanneer ik Handelingen 1 lees, de periode tussen Hemelvaart en Pinksteren. Jezus geeft Zijn apostelen vlak voor Zijn hemelvaart de opdracht om heen te gaan, alle volken tot Zijn discipelen te maken, hen te dopen en te onderwijzen. Een enorme opdracht: zij moeten getuigen van Christus tot aan de uiteinden van de aarde. Maar wat doen de apostelen daarna? Op het eerste gezicht: niets. Ze gaan terug naar Jeruzalem en sluiten zich op in de bovenzaal. Toch is dat niet helemaal waar. Ze doen wel degelijk iets: zij volharden eensgezind in het bidden en smeken.

DE DOENERS – De apostelen hadden ook echte doeners kunnen zijn. Mensen die graag de handen uit de mouwen steken en liever handelen dan eindeloos vergaderen. Mensen die zich afvragen waarom er zoveel overleg, commissies en beleidsstukken nodig zijn. Waarom kunnen we niet gewoon gemeente van Christus zijn en aan de slag gaan? Toch schuilt daar ook een gevaar in. Want wie iets doet in de gemeente, neemt deel aan de grote opdracht van Jezus Christus Zelf. Dat is geen klein of vrijblijvend werk. Soms kan een kerk of gemeente te gemakkelijk denken: “We proberen gewoon wat.” Maar Christus heeft Zijn kerk niet opgedragen om zomaar iets te doen; Hij heeft gezegd: “Doe wat Ik jullie gebied.”

DE DENKERS – De apostelen hadden ook echte denkers kunnen zijn. Mensen die alles willen analyseren, alle risico’s willen berekenen en voor elk scenario een protocol willen opstellen. Zulke mensen kunnen eindeloos blijven overleggen zonder ooit werkelijk in beweging te komen. Een gemeente die alleen uit denkers bestaat, blijft misschien steken in plannen en vergaderingen. Zoals de professor in het verhaal precies wist hoe een oog werkte, maar zelf geen staar kon verwijderen.

Daarom is de vraag niet alleen: ben je een doener of een denker? De apostelen laten zien dat beide soorten mensen elkaar nodig hebben. Als alle apostelen alleen maar doeners waren geweest, waren ze misschien direct begonnen zonder te wachten op de belofte van Christus. Maar Jezus had duidelijk gezegd: “Wacht op de Heilige Geest. Jullie zullen kracht ontvangen, en dan zullen jullie Mijn getuigen zijn.” En als ze alleen maar denkers waren geweest, hadden ze misschien op Pinksteren eerst weer een vergadering belegd: wat betekent dit verschijnsel? Wie zal spreken? Welk protocol moeten we volgen? Dan was er misschien nooit gepredikt.

DE BIDDERS – Wat de apostelen uiteindelijk bijeenhoudt, is iets anders: gebed. Handelingen 1 zegt: “Zij bleven eensgezind volharden in het bidden en smeken.” Waarschijnlijk baden zij om één ding: om de Heilige Geest. Dat is wat doeners en denkers beiden nodig hebben. Want doeners zonder gebed vertrouwen te veel op hun eigen kracht, en denkers zonder gebed vertrouwen te veel op hun eigen wijsheid.

Dat geldt ook persoonlijk. Je kunt jezelf niet door eigen inspanning tot geloof brengen. Soms denken mensen: eerst moet ik mijn leven op orde krijgen, en dan zal ik die diepgang in het geloof ervaren. Maar niemand kan zichzelf “tot geloof werken”. En evenmin kun je jezelf “tot geloof denken”. Niet door Bijbelkennis, theologische boeken of eindeloze studie. Aan alles gaat het werk van de Heilige Geest vooraf. Daarom is het eerste wat de apostelen doen: bidden. Want niemand kan God werkelijk Vader noemen dan door de Geest, en niemand kan Jezus Heer noemen dan door de werking van de Heilige Geest. Daarom hoort gebed vooraf te gaan aan ons werk, aan onze plannen en aan ons handelen in de gemeente. Niet alleen aan het begin van vergaderingen, maar voortdurend. Zoals de discipelen volhardend waren in het gebed.

Misschien is dat ook de sleutel van het verhaal van de staarsmid. De tragedie van het verhaal is niet alleen dat de smid niet meer durft, maar vooral dat daar een patiënt ligt die hulp nodig heeft. Aan de ene kant staat iemand die het wel weet maar niet kan; aan de andere kant iemand die het wel kan maar niet durft. Maar stel je voor dat die smid zich in gebed tot God had gewend. Dat hij had gevraagd om Gods aanwezigheid, om Zijn Geest. Dan had hij misschien opnieuw een vaste hand gekregen, een standvastige geest en een rustig hart. Dat is precies wat Christus vóór Zijn hemelvaart aan Zijn discipelen beloofde: de kracht en leiding van de Heilige Geest. En die belofte geldt nog altijd voor ieder die Hem daarom bidt. AMEN

Vertaling van een preek van Csongor A. Kelemen, verkondigd in de Lutherse Kerk te Zwolle op 10 mei 2026