Végh Hans: Tussen hoop en vrees

De Hongaarse Gereformeerde Kerk van 1880 tot 1970

Inhoudsopgave
Situatie eind 19e eeuw
Situatie na de eerste wereldoorlog
Situatie na de tweede wereldoorlog; opkomst van het communisme
Communistisch bestuur

Noten
Literatuur

De Hongaarse Gereformeerde Kerk heeft roerige tijden gekend. Ze ontstond in de 16e eeuw. Ze kreeg te maken met tegenkanting en onderdrukking, eerst van de kant van r.k. Habsburgers, later van de kant van de communisten. In 1867 kwam er een Ausgleich tussen Oostenrijk en Hongarije. Hongarije werd toen min of meer onafhankelijk. Het vormde een dubbelmonarchie met Oostenrijk. De Oostenrijkse keizer was koning van Hongarije. De Gereformeerde Kerk kreeg meer vrijheid.

In dit artikel wil ik ingaan op de geschiedenis van de Hongaarse Gereformeerde Kerk tussen 1880 en 1970. Het was de tijd, dat mijn grootvader van moederskant gereformeerd predikant was in Hongarije, mijn vader theologisch student in dat land en mijn moeder en grootmoeder van vaderskant ook in het land woonden.

De geschiedenis van de kerk is niet los te zien van de politieke situatie in het land. De kerk staat niet buiten de maatschappij, maar erin. Daarom wil ik in dit artikel ook aandacht besteden aan de politieke situatie.

Situatie eind 19e eeuw

Na 1867 is Hongarije nog een half feodaal land. Veel grond is in bezit van enkele grootgrondbezitters. Deze hebben veel macht. Daardoor zijn er ook veel sociale problemen. Er zijn veel landloze boeren. Ze verhuren zich als knecht aan een grootgrondbezitter. Veel kleine boeren en knechten gaan ook werken in de industrie, die aan het opkomen is. Door de economische crisis echter, in het bijzonder na de eerste wereldoorlog, is er veel verarming. Miljoenen emigreren overzee.

Aan het eind van de 19e eeuw is er in de kerk een strijd tussen orthodox en modern. Er wordt een vrijzinnig-protestantse vereniging opgericht. Alle bovennatuurlijke elementen van Jezus moeten worden verwijderd, zo is de gedachte. De prediking moet in overeenstemming gebracht worden met de moderne wetenschap. Een van de voormannen van deze beweging is professor Mór Ballagi. Op een conferentie in 1871 valt hij de orthodoxie aan. Hij wil een vernieuwing van het religieuze en zedelijke leven. Deze theologische strijd is echter niet kerkbreed. Ze vindt alleen plaats onder een dunne laag intellectuelen. In 1880 wordt de vereniging van vrijzinnig protestanten opgeheven. Nu vindt er een andere strijd plaats. De orthodoxie wordt nu aangevallen door vertegenwoordigers van de opwekkingstheologie en inwendige zending. Veel theologen zien de sociale ellende niet.

Pas in 1881 ontstaat er één Gereformeerde Kerk van Hongarije. Tot dan staan de verschillende kerkdistricten los van elkaar. De staat geeft de kerk een grote rol in het onderwijs. Daarom is er één landelijke organisatie nodig. De ene kerk betekent, dat de kerkdistricten van Hongarije en Zevenburgen worden samengevoegd. Het kerkdistrict Zevenburgen heeft tot dan toe afwijkende regels.

De Generale Synode van Debrecen van 1881 legt de basis voor een nieuwe kerkorde. De structuur van de kerk is synodaal-presbyteriaal. De besluiten van de synode van Debrecen worden uitgewerkt in twee synodes in Boedapest. De leden van de kerkenraden worden gekozen door de gemeenteleden, zo wordt bepaald. Sommige gemeenten staan onder leiding van predikanten, andere onder leiding van een predikant en een wereldlijk curator. De hogere bestuursorganen worden gekozen door de kerkenraden. Meerdere kerken samen vormen een kerkprovincie. Hun voorzitters zijn een deken, die gekozen is door de kerkenraden, en een curator van de kerkprovincie. Verschillende kerkprovincies samen vormen een district. Aan het hoofd daarvan staat een gekozen bisschop en een hoofdcurator. Het belangrijkste bestuursorgaan bestaat uit vertegenwoordigers, die uit de voorzitters van de districten door de districtsvergaderingen gekozen worden. Ze komen één maal per jaar bijeen onder leiding van de oudste bisschop en de hoofdcurator. Dit is het algemeen convent. Dit regelt de dagelijkse gang van zaken in de kerk. De synode komt één maal in de tien jaar bijeen en bepaalt de kerkorde (1).

Vanaf de jaren ’90 van de 19e eeuw is er een sterke inwendige zending werkzaam binnen de kerk. De Schotse missie wordt het centrum van de opwekkingsbeweging. Zij is in 1841 opgericht met als hoofdtaak de zending onder de joden.

Veel boeren gaan werken in de industrie, maar onder slechte omstandigheden. Zo ontstaat er een proletariaat. De kerk kan hen echter niet bereiken en vervreemdt zich van hen. Een van de leiders van de opwekkingsbeweging, Aladár Szabó (1860-1944) ziet dit. Hij stelt de persoonlijke zielzorg in het centrum. Hij preekt ommekeer, wedergeboorte en bekering. Szabó en anderen stichten dan de Bethanië-vereniging.

De tijd, dat de kerk veel scholen onderhoudt, duurt niet lang. Eind 19e eeuw geven veel gemeenten hun scholen terug aan de staat. Ze kunnen deze financieel niet meer bekostigen. Er komt nu geld vrij voor de verdere uitbouw van collegia, vooral hogescholen, hogere meisjesscholen en lerarenopleidingen. De gereformeerde collegia in Debrecen, Sárospatak en Pápa ontwikkelen zich verder. Zo krijgt het collegium in Debrecen vier nieuwe leerstoelen. In 1914 gaat hij op in een staatsuniversiteit. Ook in de andere collegia wordt het aantal leerstoelen uitgebreid.

In 1855 wordt de theologische academie in Boedapest opgericht. Verscheidene hoogleraren van die academie gaan invloed uitoefenen op de kerk. Mijn grootvader en vader studeerden aan deze academie.

In 1896 wordt de theologische faculteit in Kolozsvár geopend. Die verdringt die van Nagyenyed.

Situatie na de eerste wereldoorlog

In 1914 wordt Hongarije meegesleurd in de eerste wereldoorlog. Het vecht aan de kant van Oostenrijk en Duitsland, de Centrale mogendheden. In 1918 verliezen zij deze oorlog. Dat heeft verstrekkende gevolgen, zeker ook voor Hongarije.

De geschiedenis van Hongarije na de eerste wereldoorlog is heftig. In 1918 is er een linkse revolutie. Mihály Károlyi is een van de leiders hiervan. Hij wordt premier en later president. Men wil democratisering en grondhervorming. Hongarije scheidt zich af van Oostenrijk en de republiek wordt uitgeroepen. Het land wordt bezet door Tsjechië, Roemenië en Servië. De economische situatie is slecht. De communisten buiten dit uit en grijpen de macht. Dit loopt uit op de stichting van de Radenrepubliek in 1919 onder leiding van Béla Kun. Met geweld probeert deze zijn ideeën door te drukken. In het hele land worden revolutionaire raden opgericht. Het grootgrondbezit komt niet in handen van de kleine boeren, maar wordt genationaliseerd. Het regiem is atheïstisch. Er gaat een golf van terreur over het land. Met behulp van de Entente wordt de Radenrepubliek onderdrukt en stort ze ineen. Er is chaos, werkloosheid en honger in het land, vooral in Boedapest.

Nu winnen de rechtse krachten aan invloed. Op 16 november 1919 trekt admiraal Miklós Horthy Boedapest binnen en vormt hij een regering. Enkele maanden later wordt hij regent. Hongarije staat er dan niet best voor. Het land is uitgeplunderd door de bezettende machten Roemenië, Tsjechië en Servië. Op 4 juni 1920 moet het land het Vredesverdrag van Trianon ondertekenen. Het verliest tweederde van zijn grondgebied aan de omringende landen: Tsjechoslowakije, Roemenië, Servië-Kroatië-Slovenië en Oostenrijk. 3,5 miljoen Hongaren komen buiten de landsgrenzen te wonen. Velen van hen vluchten naar Hongarije of worden het land uitgezet, eveneens naar Hongarije. Ze leven in Hongarije onder erbarmelijke omstandigheden. Er is honger en werkeloosheid, inflatie en woningnood. Veel kinderen zijn daarvan het slachtoffer. In Nederland en België komt een hulpactie op gang om deze kinderen te helpen. Er worden zogenaamde kindertreinen georganiseerd. Kinderen worden uit Hongarije opgehaald om in Nederland of België aan te sterken. Ze verblijven hier in pleeggezinnen. Later gaan velen van hen weer terug naar Hongarije, anderen blijven in Nederland of België (1).

De buitenlandse politiek van Hongarije in het interbellum is gericht op het terugkrijgen van de verloren gegane gebieden (2). De kerk steunt deze politiek van revisionisme of irredentisme.

Na de eerste wereldoorlog moet de Gereformeerde Kerk zich opnieuw organiseren. In elk van deze gebieden (Zevenburgen, Vojvodina (Bácska-Bánát), Kroatië, Slovenië, Burgenland, Slowakije en Karpaten-Oekraïne) wordt een nieuw bisdom ingesteld. De Gereformeerde Kerk in deze gebieden, die uit Hongaren bestaat, wordt nu des te meer draagster van de Hongaarse identiteit.

De regering van Hongarije noemt zich in deze tijd christelijk-nationaal. Christelijk: men beroept zich op het christelijke karakter van Hongarije. De eerste koning, Árpád, heeft het land bekeerd tot het christendom. Met name de r.k. kerk heeft in het interbellum veel invloed, ondanks het feit, dat Horthy een protestant is. Nationaal: men komt op voor het Hongaarse karakter van het land. De regering bedrijft een nationalistische politiek. Aan het probleem van het grootgrondbezit wordt weinig of niets gedaan. Wel ontstaat er een antisemitisme. Dit heeft ook te maken met het feit, dat de socialistische en communistische leiders van 1918 en 1919 vaak joden waren. In de kerk verheft o.a. bisschop Dezső Baltazsár zijn stem tegen het antisemitisme. Hij wordt hierin bijgevallen door de latere bisschop Albert Bereczky en anderen.

De staat streeft goede betrekkingen met de kerken na. De idealen van de tijd van Árpád moeten Hongarije doen wedergeboren worden. De jeugd wordt het ideaal van de heilige Imre voorgehouden. Deze was de zoon van de eerste Hongaarse koning István en leidde een heilig leven. Hij werd de patroonheilige van de jeugd.

Er is in het interbellum tijd geen toenadering tussen r.k. en protestant. De staat wil, dat de kerken haar revisiepolitiek en conservatisme ondersteunt. De revisiepolitiek wordt wel ondersteund, het conservatisme niet. Er zijn veel maatschappelijke problemen waar iets aan gedaan moet worden.

Vooral onder jongere theologen krijgt Karl Barth veel aanhang. Men zet vraagtekens bij de visie van Hongarije als Gods volk op aarde. Na de eerste wereldoorlog verdwijnt het optimisme van de liberale theologie. Haar antropocentrische visie  verdwijnt naar de achtergrond en word vervangen door de theocentrische visie, die Karl Barth voorstaat. Ook komen het neoconfessionalisme en opwekkingsbewegingen op. Leidende theologen zijn dan Imre Révész, Jenő Sebestyén en János Victor. Ze bewerken een nieuwe belangstelling voor de reformatorische theologie, ze zetten zich in voor de vernieuwing van het gemeenteleven door middel van inwendige zending, congressen, enzovoort. De voorman van het neoconfessionalisme of ook wel neocalvinisme genoemd is Jenő Sebestyén (1884-1950). Hij is hoogleraar dogmatiek aan de Theologische Academie in Boedapest. Hij is een leerling van Abraham Kuyper. Hij geeft het weekblad Kálvinista Szemle en het maandblad Magyar Kálvinizmus uit. Hij noemt zijn richting “historisch calvinisme”, grotendeels gericht tegen de jezuïeten. De jezuïeten hadden destijds een werkzaam aandeel in de contrareformatie. Hun werken had succes, want was eerst negentig procent van de Hongaren calvinistisch, later is dit teruggebracht tot vijfentwintig. Volgens Barcza e.a. vertegenwoordigden de Jezuïeten een zeer militant katholicisme (4). Sebestyén besteedt veel aandacht aan de theologie van Kuyper. Hij ziet de roeping van het historisch calvinisme. Het is een roeping voor kerk èn samenleving. Sebestyén legt zijn ideeën o.a. neer in het tijdschrift de Hongaarse Heraut. Ravasz en Révész willen het calvinistisch karakter van de kerk versterken. Er zijn in de jaren ’30 en ’40 veel Angelsaksische invloeden. Dit heeft als resultaat de opbloei van interkerkelijke studenten- en evangelisatieverenigingen.

Een van hen is Soli Deo Gloria. Sebestyén is nauw betrokken bij deze vereniging. Hij houdt er verschillende lezingen. De vereniging stelt ook het sociale vraagstuk aan de orde.

Een andere voorman van de opwekkingsbeweging is Victor János (1888-1954). Hij staat een evangelische benadering voor, dat wil zeggen: persoonlijke bekering en aanvaarding van het heil.

Na de eerste wereldoorlog werkt de kerk aan een vernieuwing van de organisatie. Er komt in 1931 een standaard liturgie, die de vele lokale liturgieën vervangt of moet vervangen. De inwendige zending wordt overgenomen door de kerk. Tot dan toe wordt deze bedreven door groepen, die weliswaar in de kerk werken, maar niet direct onder het kerkelijk gezag vallen. Ook is er een theologisch-diaconale herwaardering. De kerk probeert ook een antwoord te vinden op de grote economische crisis van begin jaren ’30. Er zijn te weinig kerkelijke weeshuizen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen. Men probeert in deze leemte te voorzien.

In 1934 komt er een nieuwe kerkorde. Het presbyterium krijgt meer gewicht, evenals de gemeentevergadering. De gemeenteleden krijgen nu invloed bij de beroeping van een nieuwe predikant. De hogere kerkleiding heeft wel toezicht op de verkiezing.

De Bijbelvertaling van Gáspár Károlyi wordt grondig herzien.

De theologische wetenschap bloeit. De Gereformeerde Kerk heeft vier predikantsopleidingen: in Boedapest, Debrecen, Pápa en Sárospatak. Door middel van theologische tijdschriften en uitgaven brengen zij hun wetenschappelijke inzichten naar buiten. In Debrecen worden sinds 1914 theologen opgeleid aan een faculteit van de Staatsuniversiteit. Deze is voortgekomen uit het Gereformeerd Collegium. Voor het eerst in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk krijgt deze promotierecht.

Er zijn in deze tijd veel contacten met het buitenland. Veel theologisch studenten gaan daar studeren, bijvoorbeeld in Utrecht en Edinburgh. Soms krijgen ze buitenlandse beurzen.

In de jaren ’40 komt het fascisme op. In 1944 komt er zelfs een fascistische regering. Enkele gereformeerde predikanten nemen deel aan de antifascistische verzetsbeweging, o.a. Albert Bereczky, Zoltán Tildy en Imre Révész.

De politiek van Hongarije in de jaren ’30 en ’40 loopt uit op een groot fiasco. Om de verloren gegane gebieden terug te krijgen gaat Hongarije staan aan de kant van de as-mogendheden, Duitsland en Italië. Het lukt inderdaad een deel van deze gebieden terug te krijgen (Zuid-Slowakije, Karpaten-Oekraïne, Noord-Zevenburgen en de Vojvodina (Bácska)). Maar de prijs is hoog. Hongarije wordt meegezogen in de oorlog van Duitsland tegen Rusland. Het moet Rusland de oorlog verklaren en meevechten aan het Oostfront. Als het Donfront instort is Hongarije zijn halve leger kwijt en zijn  gehele legeruitrusting. Horthy probeert nog vrede te sluiten met de Geallieerden, maar het is te laat. Hij wordt gearresteerd door de Duitsers en Hongarije wordt in 1944 bezet door Duitsland. Het land krijgt een fascistische regering. De Pijlkruisers onder leiding van Ferenc Szálasi zijn nu aan de macht. In de laatste maanden van de oorlog worden nog bijna 800.000 Hongaarse joden getransporteerd naar de concentratiekampen en daar vermoord. Dit gebeurt onder leiding van de beruchte Adolf Eichman. De fascistische regering richt een ware terreur aan. Tegenstanders worden opgepakt en vermoord. Onder hen zijn predikanten, die verdwijnen in concentratiekampen. Ook de bisschop van Veszprém, József Mindszenty, wordt gearresteerd.

Situatie na de tweede wereldoorlog; opkomst van het communisme

De Duitsers en hun bondgenoten worden steeds verder teruggedrongen. Eind 1944 trekken de Russen Oost-Hongarije binnen. In Debrecen worden een Nationale Vergadering en een voorlopige regering geïnstalleerd. Ze staan sterk onder invloed van de Russen en de communisten. Begin 1945 wordt Boedapest door de Russen belegerd en na zware verwoestingen  op de Duitsers veroverd. De stad ligt in puin.

In april 1945 is Hongarije bevrijd, maar tegelijkertijd ook weer bezet. De feitelijke machthebber is de Russische generaal Worosjilow. Hij steunt de communisten, die de sleutelposities gaan bezetten. De kerk is bang, dat haar hetzelfde lot beschoren wordt als de kerk in de Sowjet-Unie: onderdrukking en inperking. Men weet, dat het marxisme-leninisme antigodsdienstig is. Godsdienst is de opium van het volk, zo is de leer. Hij heeft weinig goeds gebracht. En de kerk stond altijd aan de kant van de machthebbers en uitbuiters. Daarom moet ze vernietigd worden. Dit kan niet direct gebeuren. Dat zou teveel verzet oproepen van de gelovigen. Dit moet sluipenderwijs gebeuren en niet in de laatste plaats door uitholling van binnenuit. Daarom moeten binnen de kerk handlangers gevonden worden, die hieraan op de een of andere wijze willen meewerken. Men kan de kerk vernietigen, maar ook een zachte dood laten sterven, zo is de gedachte.

Opnieuw is Hongarije ontredderd. Er is opnieuw honger en armoede, er is een gebrek aan medicijnen en medische verzorging. Veel mensen zijn psychologisch getraumatiseerd. Veel kerken zijn beschadigd ten gevolge van oorlogshandelingen. Ze moeten herbouwd worden. Te midden van deze ontreddering vindt er in de Gereformeerde Kerk opnieuw een opwekking plaats.

In 1947 wordt het Vredesverdrag van Parijs getekend. De grenzen van Trianon worden hersteld.

Er wordt ook een Gereformeerde Vrije Raad (Református Szabad Tanács) onder leiding van Albert Bereczky opgericht. Deze bestaat uit verschillende deelnemers aan het antifascistische verzet en progressieve geestelijken en leken. Men wil een volkomen vernieuwing van de kerk op het gebied van liturgie en organisatie.

In 1948 wordt daadwerkelijk een nieuw gezangboek ingevoerd. Er wordt gewerkt aan een nieuwe Bijbelvertaling. Men acht de revisie van de Károlyi Bijbel niet voldoende. De nieuwe Bijbelvertaling is klaar in 1975. Een nieuwe voorgestelde liturgie wordt in 1951 niet in gebruik genomen. Waarom niet, is mij onduidelijk.

De jaren na de oorlog zijn hectisch. In 1946 wordt de republiek uitgeroepen. De communisten onder leiding van Mátyás Rákosi veroveren stukje bij beetje de macht. Het is de zg. salami-tactiek van Rákosi. Hij liquideert de andere politieke partijen en dwingt de socialistische partij tot een fusie met de communistische. Onder leiding van de communisten gaat deze partij verder. In 1945 wint de Kleine Boerenpartij de verkiezingen en de Communistische Partij blijft een kleine minderheid. De Kleine Boerenpartij krijgt 57 procent van de stemmen, de communisten 17 procent. Ondanks verkiezingsfraude van de communisten lukt het hun niet een overwinning via de stembus te behalen. Worosjilow weigert de Kleine Boerenpartij echter een regering te laten vormen. Er ontstaat nu een coalitieregering, waarin de communisten grote invloed hebben. Wel wordt de gereformeerde predikant Zoltán Tildy staatspresident.

Nu de communisten de verkiezingen verloren hebben moet de victorie op een andere manier behaald worden. Tegen tegenstanders worden schijnprocessen gehouden. Velen worden veroordeeld tot gevangenisstraf. Zo wordt kardinaal József Mindszenty tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Anderen worden ter dood veroordeeld. Bijna de gehele economie wordt genationaliseerd. De grond wordt onder de kleine boeren verdeeld. Maar die moeten zich aansluiten bij landbouwcollectieven of staatscoöperaties. Ook de kerk verliest haar grond. In 1948 komen de confessionele scholen, die er nog zijn, aan de staat. De Gereformeerde Kerk behoudt twee theologische academies: die in Boedapest en Debrecen. Beide hebben ze promotierecht. Die in Pápa en Sárospatak worden gesloten. Ook blijven het Gereformeerd gymnasium van Debrecen en een school voor de vorming van diaconale werkers voor de kerk behouden. Het godsdienstonderwijs op scholen wordt niet meer verplicht. Godsdienst wordt een buitengewoon leervak. Later wordt het godsdienstonderwijs ook op vrijwillige basis verboden.

In 1948 wordt bisschop László Ravasz gedwongen af te treden. Hij wordt gezien als vertegenwoordiger van de oude garde. Hij wordt opgevolgd door Albert Bereczky. Deze is een vertegenwoordiger van de nieuwe orde. Hij steunt de communistische staat. Hij wil het kerkvolk door middel van evangelisatie en conferenties voor de communistische staat winnen. Men kan ook zeggen: hij wil de geest van het kerkvolk ontvankelijk maken voor het communisme. Of: hij wil het kerkvolk indoctrineren. Hij wordt hierbij ondersteund door János Victor, Imre Révész en János Péter. Victor is hoogleraar dogmatiek aan de theologische academie in Boedapest, Péter is bisschop van het district aan de overkant van de Theiss. Révész is universiteitsdocent en de voorganger van Péter als bisschop. Men beroept zich op de Bijbel om de communistische staat te ondersteunen: “Bidt tot de Heer voor de stad waarheen Ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei” (Jer. 29:7). Jeremia zegt dit tot de ballingen in Babel. Betekent dat, deze kerkleiders de situatie waarin Hongarije zich bevindt, beschouwen als een ballingschap? Ja, want door de kerkleiders wordt ook dit gezegd: de verloren oorlog is het gericht van God. De nieuwe wereldorde is door Gods wil ontstaan.

Men kan zich afvragen waarom Bereczky, Victor, Révész en Péter de communistische staat ondersteunen. Geloven ze werkelijk, dat het communisme de heilsstaat op aarde zal realiseren? Geloven ze werkelijk, dat het communisme een instrument in Gods handen is om een nieuwe wereldorde te scheppen? Of zijn ze naïef? Zien ze niet de machtspolitiek van de communisten? Zien ze niet de intimidatie en terreur, de schijnprocessen, arrestaties en executies van tegenstanders? Sluiten ze voor dit onrecht hun ogen? Of zien ze in deze arrestaties en executies de gerechte straf van God aan zijn tegenstrevers? Of is het zo, dat deze kerkelijke leiders uit zijn op macht en zien ze in de communisten bondgenoten, die hen aan een hoge positie in de kerk helpen? Of worden ze door de communisten gechanteerd en onder druk gezet? We zullen nooit weten wat er er zich afgespeeld heeft in hun hart.

In 1948 sluit de Gereformeerde Kerk een overeenkomst met de communistische staat. Dit houdt in, dat de staat godsdienstvrijheid garandeert, vrijheid van verkondiging, leer, zending, diaconie en bestuur. Namens de kerk speelt bisschop Révész hierbij een leidende rol. Ook de lutherse en r.k. kerken sluiten zo’n overeenkomst. De kerk gaat aan de kant van de staat staan. Men erkent die nieuwe staat. De oude maatschappelijke orde moet afgeschaft worden, het grootgrondbezit opgedeeld, de industrie genationaliseerd, evenals de handel en de banken. De kerk stond vroeger niet aan de kant van de armen, is het argument. Dat moet nu anders. Het nieuwe maatschappelijke systeem brengt meer gerechtigheid en menselijkheid, volgens een verklaring van de synode van de Gereformeerde Kerk van 30 april 1948. Men acht het socialistisch systeem in staat crises, zoals honger, ellende, culturele en economische achterstand, het oorlogsvraagstuk en het milieuvraagstuk op te lossen. Men verdedigt de nationalisering. Alles behoort namelijk aan God toe. De gemeenschap maakt er op grond van een rechtvaardige verdeling gebruik van. Privé-eigendom moet tot een minimum worden beperkt. Van de beloften van de staat is weinig tot niets terecht gekomen. De vrijheden van de kerk worden ingeperkt. Communistische agenten komen de preken van de dominees beluisteren. Als een dominee laat blijken, dat hij tegen de communistische staat is, wordt hij gearresteerd. Het jeugdwerk wordt beperkt of verboden. Evangelisatie en zending zijn niet toegestaan. De kerk mag geen activiteiten ontplooien buiten de kerkmuren. De staat kan ingrijpen in het kerkbestuur. Het doet dat niet rechtstreeks, maar via de bisschoppen, die in feite stromannen van de staat zijn. Het latere staatsbureau voor kerkelijke zaken speelt hierbij een grote rol.

Te midden van deze hectische toestand verlaat mijn vader in 1948 het land om te gaan studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Communistisch bestuur

In 1949 wordt de volksrepubliek uitgeroepen en krijgt Hongarije een nieuwe grondwet, geschoeid op communistische leest. De grondwet van 1949 bepaalt een scheiding van kerk en staat. In 1950 worden de verenigingen voor inwendige zending door de kerk overgenomen, zodat ze meer controle kan uitoefenen.

De kerk verliest haar oude privileges. Onder de oude bedeling is het zo, dat de r.k. en protestantse bisschoppen qualitate qua zitting hebben in de senaat. Dit heeft als nadeel, dat ze vaak compromissen hebben moeten sluiten. Later wordt hen nagedragen, dat ze weinig gedaan hebben aan de armoede en de onrechtvaardige verdeling van de grond, dat ze zich niet verzet hebben tegen de anti-Joodse wetten en tegen het fascisme in het algemeen. Aan het oude privilege komt dus een eind, maar dat neemt niet weg, dat latere kerkelijke leiders officiële functies hebben in de communistische staat. Zo is bisschop Bartha lid van de presidentiële raad en János Péter minister van buitenlandse zaken. Deze laatste is ook lid van de Communistische Partij.

J.A. Nederbragt brengt in 1950 een bezoek aan Hongarije en bevestigt in zijn rapport wat vóór 1949 al is begonnen en erna wordt voortgezet. Hij schetst het volgende beeld. De boeren bieden hun land aan aan de staat, want de belasting is hoger dan de opbrengst. Kerkdiensten en evangelisatiebijeenkomsten kunnen doorgaan. Begrafenissen worden druk bezocht als uitingen van anticommunistische gevoelens. De prediking is vrij, maar er zijn mensen, die de dominees aanbrengen als ze iets zeggen wat de partij niet aanstaat. Het gemeentewerk (Bijbelkringen, muziek en zang) kunnen ook doorgaan, maar mag niet plaatsvinden op uren, die de partij opeist. Jongelings-, vrouwen- en meisjesverenigingen zijn verboden.

De partij organiseert van alles op zondag om de kinderen uit de kerk te houden. Iemand, die in dienst van de staat is, kan ontslagen worden als hij naar de kerk gaat. Daarom kerkt men soms in een andere gemeente of men trouwt of doopt elders. Kerkbladen, zoals Az Út en Református Egyház, staan onder staatscontrole, dat wil zeggen: ze ondersteunen dan ook de staatspolitiek. Hun berichtgeving staat op één lijn met die van de staat. Een kerkblad als Református Hiradó is nog onafhankelijk, maar krijgt te weinig papier.

Veel scholen zijn aan de kerk onttrokken. Er is alleen godsdienstonderwijs aan kinderen wier ouders daar uitdrukkelijk om gevraagd hebben, maar veel ouders durven dit niet, bang als ze zijn daar nadelige gevolgen van te ondervinden.

Het gewone onderwijs bevat veel ideologie; de kinderen leren veel revolutionaire liederen. Het onderwijs is antigodsdienstig.

In de kerk hebben mensen, die de staat ondersteunen, het voor het zeggen, zoals Albert Bereczky en János Péter.

Het privébezit wordt aan banden gelegd. Eigen initiatieven worden tegengewerkt. Het bezitten van een eigen zaak wordt bemoeilijkt. Winkels krijgen geen vergunning meer van de staat en moeten worden gesloten of ze worden genationaliseerd.

Ziekenhuizen worden genationaliseerd.

De mensen zijn niet tevreden. Er is veel onderlinge competitie. Men wordt gedwongen deel te nemen aan seminaries over de communistische ideologie. Vaak moet men op zondag werken. Maar men mag niet klagen. Spionnen verklikken iedere klacht aan de overheid, met alle gevolgen van dien.

Er is geen vrije meningsuiting, er is geen persvrijheid. De staat geeft veel geld uit aan propaganda.

Veel mensen klagen wel, maar er zijn ook veel meelopers.

Tot zover het rapport van Nederbragt. Hieruit is op te maken, dat de Communistische Partij steeds meer macht naar zich toetrekt. Hongarije is veranderd in een totalitaire staat. De staatsideologie doordrenkt het hele leven. Wie zich verzet, wordt gezien als vijand van het volk. De maatregelen van de communisten hebben wel als gevolg, dat na 1950 het kerkbezoek afneemt. De mensen zijn bang voor hun terreur. De onteigening van de grond vindt sluipenderwijs plaats. De belastingen zijn zo hoog, dat het niet meer rendabel is eigen grond te hebben. Men moet zijn grond wel aan de staat te koop aanbieden, in de hoop, dat die daar een schappelijke prijs voor betaalt.

In 1951 wordt het staatsbureau voor kerkelijke aangelegenheden opgericht. Via dit bureau oefent de staat invloed uit op de kerken. Van een scheiding tussen kerk en staat komt weinig of niets terecht. Dat wordt in 1957 nog duidelijker. Dan wordt bepaald, dat voor verkiezing van hogere kerkelijke ambtsdragers toestemming van de staat nodig is.

In 1951 worden de Gereformeerde diaconessenhuizen opgeheven. In datzelfde jaar wordt het diaconessenziekenhuis Bethesda door de staat overgenomen.

Begin jaren ’50 worden gekenmerkt door een brute onderdrukking van de communistische staat. In deze tijd heerst de dictatuur van Rákosi. Tegenstanders van het regiem worden gearresteerd en verdwijnen. Predikanten, die niet meewerken met het bewind worden ontslagen, geëmeriteerd of verbannen naar een klein dorpje ver weg. Zo’n zeshonderd gereformeerde ambtsdragers worden afgezet of voortijdig geëmeriteerd (5).

In 1956 barst de bom en breekt er een opstand uit. De regering van Imre Nagy treedt uit het Warschaupact en verklaart zich neutraal. Binnen de kerk wordt er een Hongaars Gereformeerd Landscomité opgericht, dat de leiding van de kerk overneemt. Men is ontevreden met de leiding van Bereczky, Victor en Péter. Ravasz wordt in zijn oude functie hersteld. Priesters en predikanten nemen soms zitting in de revolutionaire raad van hun stad of dorp. Zo zat mijn grootvader in de revolutionaire raad van zijn dorp. Het is te gemakkelijk om te zeggen, dat de opstand georganiseerd is door contra-revolutionairen, zoals Barcza e.a. (6) en de journalisten van Népakarat (7) doen. Er is wel degelijk ontevredenheid onder het volk. De opstand wordt bruut neergeslagen door het Russische leger en het communistische gezag wordt hersteld, nu onder leiding van János Kádár. Nu volgt er een bijltjesdag. Velen, die meegedaan hebben aan de opstand, worden gearresteerd en verdwijnen. Anderen worden geëxecuteerd, onder wie de leiders van de opstand, Imre Nagy en Pál Maléter. Eind december nemen Bereczky en anderen de leiding in de kerk weer over. In deze bange tijden krijgen mijn grootouders toestemming het land te verlaten. Ze vertrekken in 1957. Tibor Bartha gaat nu een belangrijke rol spelen. Hij wordt in 1958 bisschop van het district aan de overkant van de Theiss en geestelijk voorzitter van de synode (de synode kent ook een wereldlijk voorzitter, zie boven). Bartha ondersteunt de communistische staat. Maar de kerk plukt hiervan niet de vruchten. Predikanten worden steeds meer beperkt in hun vrijheden. Ook gemeenteleden worden benadeeld als ze kerkelijk actief zijn. Wie een kind laat dopen, raakt zijn  baan kwijt. Daardoor neemt het dopen aan huis toe (8). Bartha is de primus inter pares. Onder zijn leiding trekken de bisschoppen steeds meer macht naar zich toe. Predikanten worden steeds vaker door hen benoemd, hetgeen tegen de kerkorde is. Predikanten, die dwars liggen, worden verbannen naar de uithoeken van het land.

Bartha bevordert de theologie van de dienende kerk. Deze is in de jaren ’50 ontstaan. Deze theologie houdt in, dat de kerk God moet verheerlijken en de psychische en lichamelijke welstand van de mens dienen. Evangelisatie gericht op het individu wordt afgeschaft. Het gaat om het aardse welzijn van de mens. De kerk moet naar de samenleving toe de rol van de barmhartige Samaritaan spelen (vgl. Lk. 10:25-37). Ze moet de wonden van de gewonde verzorgen en helen.

Op zichzelf is de theologie van de dienende kerk mooi. Het is de opdracht van het evangelie de naaste te helpen, ook de naaste aan de onderkant van de samenleving. De kerk moet oog hebben voor de armen, de hongerigen en de vluchtelingen. Maar de theologie van de dienende kerk mag niet gebruikt worden als dekmantel voor de steun aan een dictatoriaal en in wezen atheïstisch regiem. De kerkelijke leiders hadden ook oog moeten hebben voor de verdrukten en gevangenen, voor mensen wier mond gesnoerd werd en die op grond van hun sociale klasse geen ontplooiingsmogelijkheden hadden.

Bartha bevordert ook de oecumene. De Hongaarse Gereformeerde Kerk is lid van de Wereldraad van Kerken en de Oecumenische Raad van Kerken in Hongarije. De Wereldraad vergadert zelfs aan de vooravond van de opstand in Hongarije. Het is niet duidelijk of men de opstand heeft zien aankomen. M.i. kwam die tamelijk onverwacht. Wel wordt de Wereldraad eenzijdig voorgelicht door de kerkelijke leiding. Die spreekt van godsdienstvrijheid en het welbevinden van de kerken.

In Boedapest en Debrecen worden in 1952 leerstoelen voor de oecumene opgericht en in Boedapest een instituut voor confessiekunde. De verhouding met de r.k. kerk blijft echter moeizaam. Zo kan men geen overeenstemming bereiken over de gemengde huwelijken.
De kerkelijke leiders doen van zich spreken in woord en geschrift. Hun preken, voordrachten en opstellen worden uitgegeven. In 1958 wordt de Christelijke Vredesconferentie opgericht. De Gereformeerde Kerk wordt daar lid van. Deze Conferentie beweegt zich in de lijn van Moskou. Het Warschau Pact wil alleen maar vrede, het Westen is agressief en uit op oorlog, zo is de boodschap.

Vijf jaar na de opstand wordt de landbouw praktisch helemaal gecollectiviseerd. Tien jaar na de opstand is het volk totaal gedemoraliseerd en ontgoocheld. Het land kent het laagste geboortecijfer ter wereld. Er zijn meer abortussen dan geboorten. Het land kent ook het hoogste aantal zelfmoorden ter wereld. De kerk zal haar handen vol hebben gehad aan de pastorale bergeleiding van haar gemeenteleden in nood.

In de jaren ’70 mag de Gereformeerde Kerk weer aan sociaal werk doen. Er komen kerkelijke bejaardentehuizen en verpleegtehuizen voor gehandicapten. Ze worden gefinancierd door de kerk, de overheid en het buitenland. Ook komen er klinieken voor alcohol- en drugsverslaafden. De staat roept in deze tijd de hulp van de kerken in om de sociale problemen te helpen bestrijden. Ze heeft de socialistische heilsstaat nog niet kunnen bereiken.

De kerk staat sinds eind jaren ’40 dus aan de kant van de staat. Zij ondersteunt niet rechtstreeks de Communistische Partij, maar wel een organisatie, die daarmee gelieerd is: het Patriottisch Volksfront. Dit front is een massaorganisatie en omvat de Communistische Partij (officieel de Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij geheten) en culturele en maatschappelijke organisaties, zoals de vakbonden en de schrijversbonden.

In de beschreven periode leeft de Hongaarse Kerk tussen vrees en hoop. Er is vrees voor onderdrukking en geweld en hoop op betere tijden, ja, hoop op God. Wat dat betreft is Ps. 42:3 (berijmd) van toepassing: “Hart onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel, hoop op God en wees geborgen”.


Noten:

(1)   1 Református egyház, in: Révai nagy lexikona. Az ismeretek enciklopédiája XVI, Budapest 1924, p. 116v.

(2)   2 Zie M.J. Aalders en O. Réthelyi (red.), De kindertreinen – Voorwerpen en herinnering. Tentoonstellingscatalogus bij de workshop Migratie, literatuur en identiteit. De kindertreinen tussen Hongarije, Nederland en Vlaanderen in de eerste helft van de twintigste eeuw, Budapest 2 2019 (=Cahiers voor Neerlandistiek 9)

(3)   3 Zie O. Légrády e.a., Gerechtigkeit für Ungarn! Trianons grausame Irrtümer, 3. Umgearbeitete Auflage, Budapest z.j.

(4)   4 J. Barcza e.a., Geschichte und Gegenwart der Reformierten Kirche in Ungarn, Budapest 1986, p. 106

(5)   5 J.J.A. Colijn, Schets van de geschiedenis van de Hongaarse gereformeerde kerk, Apeldoorn 1998, p. 49

(6)   6 Barcza e.a., a.w., p. 124

(7)   7 Az ellenforradalom támadása, in Népakarat van 8 februari 1957

(8)  8  Colijn, a.w. p. 38


Literatuur

Református Egyház, in: Révai Nagy Lexikona. Az ismeretek enciklopédiája XVI, Budapest 1924, p. 116v.

O. Légrády e.a., Gerechtigkeit für Ungarn! Trianons grausame Irrtümer, 3. Umgearbeitete Auflage, Budapest z.j.

J.A. Nederbragt, Vijf weken achter het ijzeren gordijn, rapport uit 1950 [in bezit van de auteur]

T. Kovács, Het drama Hongarije. Achtergrond en oorzaken, Utrecht-Antwerpen 1957, p. 67-84

Az ellenforradalom támadása, in: Népakarat, 8 februari 1957

M. Bucsay, Geschichte des Protestantismus in Ungarn, Stuttgart 1959, p. 176-205

J. Barcza e.a. (red.), Geschichte und Gegenwart der Reformierten Kirche in Ungarn, Budapest 1986, p. 83-210

C.A. Macartney, Geschichte Ungarns, Stuttgart-Berlin-Köln-Mainz 1971 (=Urban Taschenbücher 139), p. 101-130

Th. Von Bogyay, Grundzüge der Geschichte Ungarns, Darmstadt 3 1977, p. 148-180

J.J.A. Colijn, Schets van de geschiedenis van de Hongaarse gereformeerde kerk, Apeldoorn 1998 (=Reformatorische stemmen 98/1), p. 31-41

Á. Bába, E. Kiss en R.J. Szitek, Soli Deo Gloria. Fünf Jahrhunderte der Reformation in Ungarn, Budapest 2017, p. 28v.

M.J. Aalders en O. Réthelyi (red.), De kindertreinen – Voorwerpen en herinnering. Tentoonstellingscatalogus bij de workshop Migratie, literatuur en identiteit. De kindertreinen tussen Hongarije, Nederland en Vlaanderen in de eerste helft van de twintigste eeuw, Budapest 2 2019 (=Cahiers voor Neerlandistiek 9)

Hans Végh, Amersfoort juli 2020

J.A.S. Végh studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zijn hoofdvak was kerkgeschiedenis. Nu is hij emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland.

Deze studie is origineel gepubliceerd op https://www.freewebs.com/vegh/english.htm en wordt hier herpubliceert met zijn toestemming.