Hij straft, wien Hij liefheeft

Hebr 12: 1-11

De naam van Michiel de Ruyter is ons goed bekend. We kennen hem als een van de grootste zeehelden uit de Nederlandse geschiedenis, een man van zeeslagen, moed en strategisch inzicht. Maar voor Hongaren is vooral dit ene verhaal van belang: In 1675 bevond De Ruyter zich in de Middellandse Zee, waar hij de Spaanse vloot hielp in de strijd tegen Frankrijk. Tussen de oorlogsschepen zag hij galeien, voortbewogen door roeiers die aan kettingen vastzaten. Onder hen bevonden zich Hongaarse protestantse predikanten. Zij waren gevangengenomen omdat zij in Hongarije hadden geweigerd zich tot het rooms-katholieke geloof te bekeren. Als straf waren zij veroordeeld tot de galeien. Wat De Ruyter aantrof was mensonterend: uitgemergelde lichamen, gescheurde kleren, wonden en zweren, oude mannen die nauwelijks nog de kracht hadden om te leven. Die dag bevrijdde hij zesentwintig predikanten. Toen zij aan boord van zijn schip kwamen, deden zij dat zingend, biddend en God dankend. Volgens de overlevering wees De Ruyter naar de hemel en zei: dank niet mij, ik ben slechts een mens – dank uw God. Om deze daad werd hij in Hongarije herdacht als “Michiel de Ruyter, de Bevrijder”.

Wat deze geschiedenis extra indrukwekkend maakt, is het lied dat deze predikanten volgens de traditie op de galeien zongen. Een lied dat tot op de dag van vandaag in de Hongaarse gereformeerde kerk klinkt, en waarvan één zin bijna een geloofsbelijdenis is geworden: “Hij straft wie Hij liefheeft.” In tijden van nood en beproeving hielden zij zich vast aan deze overtuiging: God is hen niet vergeten, ook niet in het lijden.

Dat roept een confronterende vraag op. Als zesentwintig predikanten, midden in onmenselijk lijden, dit over God konden zeggen, mogen wij dat dan ook zeggen? Nu, in onze eigen moeite en pijn? Deze gedachte komt niet voort uit menselijke vroomheid, maar rechtstreeks uit de Schrift, uit Hebreeën 12: “Want wie de Heer liefheeft, tuchtigt Hij, en Hij straft iedere zoon die Hij aanneemt.”

De brief aan de Hebreeën is geschreven aan christenen met verschillende achtergronden, die worstelden met de plaats van de wet en het geloof in Christus. Sommigen wilden vasthouden aan de volledige oudtestamentische wet, anderen verwierpen die juist volledig. Het verbindende middelpunt is Jezus Christus, gisteren en vandaag dezelfde en tot in eeuwigheid. In deze brief wordt duidelijk gemaakt dat het Oude Testament niet losstaat van Christus, maar naar Hem verwijst. Wie Jezus werkelijk wil kennen, moet ook de Schriften van Israël kennen: de offerdienst, de beloften over de Messias, de betekenis van de sabbat. Tegelijk wordt duidelijk dat deze dingen in Christus hun vervulling hebben gevonden.

In dat kader klinkt ook die scherpe maar troostvolle uitspraak over Gods tucht. Waarom doet God dat? Zou Hij niet anders kunnen? God zou dat kunnen, maar wij niet. Want wij allen schieten tekort en hebben correctie nodig. De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan: ieder kind dat God aanneemt, voedt Hij op. Tucht is geen teken van afwijzing, maar van betrokkenheid.

Tijdens een jongerenweekend vertelde een predikant eens dat echte bekering vaak gepaard gaat met een crisis, een moment waarop God iemand stilzet en duidelijk maakt dat het zo niet verder kan. Sommige jongeren herkenden dat niet. Zij waren opgegroeid met het geloof en hadden God altijd gekend als een liefdevolle Vader. Wat moeten we dan met Bijbelse uitspraken die zeggen dat wie geen tucht ontvangt, geen kind is?

Het antwoord is dat er geen twee gelijke geloofswegen zijn. Niet iedereen wordt door één grote crisis gevormd. Voor velen bestaat het leven uit een reeks kleinere momenten van correctie, groei en verdieping. De beproevingen van de eerste eeuw, de vervolgingen van de zeventiende eeuw en de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw zijn niet dezelfde. Toch kunnen ook een mislukt examen, een verloren baan, spanningen in een huwelijk, ziekte of rouw middelen zijn waardoor God ons dichter naar Zich toe trekt.

Met de Heidelbergse Catechismus belijden wij dat God alles, ook wat wij als kwaad ervaren in dit leven, kan gebruiken ten goede. Zijn opvoeding is niet uniform. De weg die Hij met de één gaat, is anders dan met de ander, maar het doel is altijd hetzelfde: gemeenschap met Hem.

De schrijver van Hebreeën zegt het zo: “Elke tucht lijkt op het moment zelf geen vreugde te brengen, maar verdriet; later levert zij echter een vreedzame vrucht van gerechtigheid op.” Wie herkent dat niet? Verdriet dat families dichter bij elkaar bracht. Moeilijke huwelijken die uitliepen op eerlijkheid en verzoening. Zorgen om kinderen die ons leerden liefhebben met meer geduld. Ziekte die ons liet beseffen hoe kostbaar tijd en relaties zijn.

Ook de zesentwintig Hongaarse predikanten konden uiteindelijk zeggen: wij zijn in het geloof gebleven, en ons lijden werd een getuigenis van Gods trouw. Gods tucht is nooit wraak, maar reddende liefde. Vaak gebruikt Hij hetzelfde middel om pijn te doen én om te genezen. Wie dat leert verstaan, leert leven als een kind dat weet: mijn Vader laat mij niet los. En eens zullen wij, in het huis van de Vader, weten en belijden: door alles heen is Hij trouw gebleven. Amen.

Vertaling van een preek van Csongor A. Kelemen, oorspronkelijk verkondigd te Zwolle, op 8 februari 2026