Tot wie is Jezus gekomen?  

Text: Joh 1: 10-12

In de tijd tussen Kerst en Pasen staan wij stil bij het onbevattelijke wonder dat Christus, de Zoon van God, de tweede Persoon van de Drie-eenheid, als mens naar deze aarde is gekomen. Maar die vraag dringt zich op: voor wie is Hij gekomen? Voor anderen… of ook voor mij, voor u? Het antwoord lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. In Johannes 1:11 hoorden wij: “Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Wie zijn “de Zijnen”? In de eerste plaats is dat het volk Israël. Jezus zegt zelf: “Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël” (Matt. 15:24). Maar ook dat volk bestond niet uit één geheel. Net als vandaag onder de Joden (en ook binnen de kerk) was er verdeeldheid, verscheidenheid, verschillende groepen met elk hun eigen geloofsbeleving. We kunnen grofweg vier groepen onderscheiden tot wie Jezus kwam.

Ten eerste: de Farizeeën. Misschien is er geen groep die zo vaak door Jezus wordt aangesproken – en zo scherp. Hij waarschuwt voor hun zuurdeeg, noemt hen huichelaars, zelfs adderengebroed. Daardoor is “Farizeeër” bijna een scheldwoord geworden. Toch waren de Farizeeën mensen met een oprechte inzet voor Gods wet. Zij wilden leven naar Gods geboden, tot in de kleinste details. Hun probleem was niet hun ijver, maar hun hoogmoed en zelfrechtvaardiging. Hun vroomheid leek prachtig, maar Jezus zag hun hart: als een mooie appel die vanbinnen rot is. Tegelijk ging Jezus het gesprek met hen niet uit de weg. Nicodemus zocht Hem op. Jezus wees hen niet af, maar riep hen op tot bekering.

Ten tweede: de Sadduceeën. Een kleinere groep, maar best invloedrijk. Waar de Farizeeën de morele elite vormden, waren de Sadduceeën de intellectuele en maatschappelijke elite van het volk. Zij beheerden de tempeldienst, het koninklijk huis, en onderhielden contacten met de Romeinen en stonden open voor Griekse filosofie. Ze waren ook erg geleerd, en daarom in hun geloof selectief. Zij accepteerden vooral de vijf boeken van Mozes en namen de profeten en geschriften minder serieus. Zij geloofden bijvoorbeeld niet in de opstanding. Wat niet paste in hun denken, lieten zij weg. Zo accepteerden zij slechts een deel van Gods openbaring.

Ten derde: het gewone volk – Am Ha’aretz. Dat waren de mensen zonder status: vissers, herders, vaklieden. Door de elite werden zij veracht: onwetend, zondig, niet serieus te nemen. Maar juist aan hén denkt Jezus wanneer Hij spreekt over de “verloren schapen van Israël”. Zij waren zondaren – dat werd ook al door anderen aangewezen vóór Jezus. Maar Híj zocht hen op: tollenaars, hoeren, zieken, bezetenen. Hij riep hen tot bekering én bood vergeving. “Ik veroordeel u ook niet. Ga heen en zondig niet meer.”

Ten vierde: de heidenen. Verreweg de grootste groep. Allen die niet bij het volk van Israël hoorden. Het was Gods plan dat het heil via Israël tot de wereld zou komen. Toch zien we al tijdens Jezus’ leven ontmoetingen met heidenen: de Kanaänitische vrouw, de Samaritaanse vrouw, de Romeinse hoofdman. Tekenen dat niemand wordt weggestuurd die in geloof tot Hem komt. Na Zijn opstanding klinkt het zendingsbevel: van Jeruzalem tot het einde der aarde. Want er is geen onderscheid: niemand is rechtvaardig, Jood noch Griek. En er is maar één weg tot het leven: Jezus Christus.

En dan brengen wij nu de vraag wat dichterbij: bestaan zulke groepen mensen ook vandaag? Jazeker. Farizeeën zijn er nog steeds: ook binnen de kerk. Mensen vol ijver, kennis en vroomheid, maar met het gevaar dat zij vertrouwen op zichzelf en vergeten dat de Schrift van Christus getuigt – en dat liefde tot God altijd nodigt niet tot arrogantie en hoogmoed, maar tot liefde tot de naaste. Sadduceeën zijn er ook: mensen die zeggen dat niet alles in de Bijbel serieus genomen hoeft te worden. Wat niet past bij verstand, gevoel of wetenschap, schuift men terzijde. Het “gewone volk” is er ook: naamchristenen, mensen voor wie “erbij horen” genoeg is, maar die door de zorgen van het leven nauwelijks met het geloof bezig zijn. En de heidenen: zij die nog niet gehoord hebben, of denken dat alle religies hetzelfde zijn, of dat een goed hart voldoende is.

En dan brengen wij nu de vraag nóg dichterbij: In welke van de bovengenoemde groepen herkent u uzelf het meest? Waar staan wij? Zijn wij uit genade uit zo’n groep getrokken tot levend geloof? Of ligt het gevaar van terugglijden op de loer – in zelfrechtvaardiging, onverschilligheid, eigenmachtig denken of oude afgoden?

Maar midden in die vraag klinkt het evangelie: Hij is gekomen. Het eeuwige Woord is vlees geworden. Voor allen. Ook voor ons. Door Zijn Geest wil Hij Zich laten kennen, zodat wij Hem aannemen als Heer en Heiland. “Allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden.” Hij is gekomen – ook tot ons. En wie Hem in geloof aanneemt, mag samen met alle heiligen belijden: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, vol van genade en waarheid.”Amen.

Vertaling van een preek van een preek van Csongor A. Kelemen, verkondigd te Zwolle in de Lutherse kerk op 11 januari 2026